| á terme |
op tijd geboren (37-42 weken). |
| abortus |
miskraam; 1. (def. WHO) geboorte van een foetus met een gewicht van minder dan 500 g. of van een zgn. zwangerschapsproduct zonder dat een foetus aanwezig of herkenbaar is. 2. in Nl. gedefinieerd als geboorte van een foetus vóór de 16e zwangerschapsweek. |
| abortus incompletus |
een niet-complete miskraam, waarbij de zwangerschap niet in zijn geheel naar buiten komt. |
| abortus provocatus |
kunstmatig opgewekte miskraam. |
| adhesies |
verklevingen. |
| adipositas |
vetzucht, corpulentie, obesitas |
| adnexa (uteri) |
eierstokken, eileiders en parametrium. |
| agglutinatie |
samenklontering van zaadcellen, waardoor de beweeglijkheid van zaadcellen wordt beperkt. |
| agonist |
chemische stof die de werking van een natuurlijk hormoon kan nabootsen gelijksoortige reacties op natuurlijke hormoonfuncties in het lichaam kan opwekken. |
| amenorroe |
achterwege blijven van de menstruatie gedurende 6 mnd of langer. |
| anamnese |
voorgeschiedenis. |
| anatomie |
ontleedkunde. |
| androgenen |
mannelijke geslachtshormonen die worden geproduceerd door de zaadballen van de man en door de bijnieren van de vrouw. |
| andrologische factor |
mannelijke factor. |
| anorexia |
gebrek aan eetlust. |
| anovulatie |
medische aanduiding van een verstoring van de maandelijkse ovulatie. |
| anovulatoire bloeding |
bloeding die optreedt tijdens anovulatoire cycli, het bloeden wordt veroorzaakt door schommelingen in de oestrogeenconcentraties. |
| antagonist |
tegenovergestelde werking van zenuwen of spieren. |
| antigeen |
eiwit of koolhydraat (in toxische vorm of als enzym) dat een afweerreactie kan opwekken. |
| anti-hormoon |
een synthetisch hormoon dat de aanmaak van eigen hormonen beïnvloedt. |
| antistof |
chemische stof die natuurlijk door het afweersysteem van het lichaam wordt aangemaakt en het afweersysteem helpt bij de bestrijding van bacteriën en lichaamsvreemde stoffen. |
| ART |
assisted reproductive technologies; geassisteerde voortplantingstechnieken, medische vruchtbaarheids behandelingen waarbij eicel en zaadcel kunstmatig (dichter) bij elkaar worden gebracht om de kans op zwangerschap te vergroten,voorbeelden van ART-procedures zijn IUI, ICSI en IVF. |
| asthénospermie |
onvoldoende beweeglijkheid van het sperma. |
| auto-immuunziekte |
aandoening waarbij het immuunsysteem van het lichaam reageert op eigen lichaamsweefsel. |
| azoöspermie |
aandoening waarbij er geen spermacellen aanwezig zijn in de zaadvloeistof. |
| baarmoederhals |
dat deel van de baarmoeder dat overgaat in de vagina. |
| baarmoederhalsslijm |
slijmafscheiding van de baarmoederhals waarvan de samenstelling verandert tijdens de cyclus. |
| baarmoedermond |
onderste deel van de baarmoeder dat in de vagina (schede) zichtbaar is. |
| balanitis |
eikeldruiper; ontsteking van de eikel |
| basale lichaamstemperatuur |
lichaamstemperatuur bij het ontwaken ‘s ochtends, of na tenminste 1 uur rust. |
| bèta HCG Test |
onderzoeksmethode waarbij de hoeveelheid zwangerschapshormoon (bete-HCG) in het bloed wordt bepaald om een zwangerschap in een zeer vroeg stadium te ontdekken, of om de voortgand hiervan te volgen. |
| bevruchting |
geslaagde samensmelting van zaadcel en eicel. |
| Billings ovulatie methode |
is geheel gebaseerd op de symptomen van vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid die worden waargenomen aan de schede-uitgang. De methode maakt geen gebruik van berekeningen, temperatuurmeting, medicijnen of andere hulpmiddelen. |
| biochemie |
leer van de scheikundige processen in het lichaam. |
| biopsie |
onderzoek v. weefsel dat uit een levend organisme is verwijderd. |
| biopt |
het, bij de biopsie, verwijderde stukje weefsel. |
| blastocyste |
embryo in een gevorderd ontwikkelingsstadium, met de cellen waaruit later de foetus ontstaat. |
| BMI |
body mass indexlichaams; gewicht in kg. gedeeld door het kwadraat vd lengte in meters, >27 = adipositas |
| BTC |
basale temperatuurscurve. |
| causaal |
oorzakelijk |
| cervix (uteri) |
baarmoederhals |
| cervixcerclage |
pocedure waarbij bij cervixinsufficiëntie een bandje om de baarmoederhals wordt aangebracht om te voorkomen dat deze zich opent en zo een miskraam veroorzaakt. |
| cervixinsufficiëntie |
baarmoederhals met onvolledige sluiting gedurende de gehele zwangerschap, resulteert vaak in vroeggeboorte en miskraam. |
| chloasma |
zwangerschapsmasker |
| chocoladecyste |
holte in de eierstok die gevuld is met oud bloed (ook wel endometrioom genoemd), komt vaak voor bij aantasting van de eierstok door endometriose. |
| chromosoom |
drager van de erfelijke informatie van een persoon, in de vorm van DNA (desoxyribonucleïnezuur). |
| chromosoom-afwijking |
afwijking in de rangschikking van de genen op de chromosomen, of een afwijking van het aantal chromosomen. |
| cilia |
trilhaartjes in de eileiders, de cilia bevorderen de beweging van de eicel of van het embryo naar de baarmoeder. |
| circumcisie |
besnijdenis. |
| climacterium |
overgangsjaren. |
| clitoris |
kittelaar. |
| clomid |
merknaam van het vruchtbaarheidsmedicijn clomifeencitraat. |
| clomifeen |
meest voorgeschreven vruchtbaarheidsmedicijn, clomifeen wordt oraal ingenomen om de ovulatie op te wekken of te stimuleren. |
| coïtus |
geslachtsdaad, samenleving. |
| complicatie |
bijkomende ziekte. |
| conceptie |
bevruchting. |
| congenitaal |
aangeboren. |
| conisatie |
kegelvormige uitsnijding van de baarmoederhals. |
| constitutie |
gestel, erfelijke aanleg. |
| contactbloeding |
bloedverlies na de samenleving. |
| corpus albicans |
wit lichaam, restant van het corpus luteum. |
| corpus luteum |
wordt ook wel geel lichaam genoemd. Het is de rest van het eiblaasje dat overblijft na de eisprong. Het maakt progesteron aan (gedurende de tweede helft van de menstruatiecyclus tot in de vroege zwangerschap). |
| corpus uteri |
baarmoederlichaam. |
| couple to couple league |
CCL; verspreiden NFP en begeleiden één koppel door één koppel. |
| cryo |
ingevroren. |
| cryopreservatie |
invriesmethode voor het bewaren van embryo’s, zaadcellen en ander weefsel. |
| cryptorchisme |
ontbreken van één of beide testes in de balzak. |
| CT-scan |
resultaat van computertomografie. |
| Curettage |
kleine operatie waarbij de gynaecoloog de baarmoeder via de vagina met een slangetje leegzuigt of met een curette (soort lepeltje) schoonmaakt. |
| cyclus |
periode van het begin van de menstruatie tot het begin van de volgende menstruatie. |
| cyclusanalyse |
echoscopisch volgen van de ontwikkeling van het eiblaasje. |
| cyste |
holte (bv in de eierstok) gevuld met vocht. |
| cystokèle |
verzakking van de blaaswand in de voorwand van de vagina. |
| cytologie |
celleer. |
| degeneratie |
ontaarding, d.w.z. ziekelijke verandering in cellen en weefsel. |
| DES |
diëthylstilbestrol; synthetische hormoon wat vroeger werd voorgeschreven om een miskraam te voorkomen en wat bij sommige kinderen (met name bij dochters) van vrouwen die het middel tijdens de zwangerschap hadden gebruikt afwijkingen aan de voortplantingsorganen veroorzaakte. |
| diagnose |
onderkenning van de aard van de ziekte. |
| diathese |
aanleg, constitutie. |
| differentiële diagnose |
een keuze uit een aantal mogelijke diagnoses. |
| DNA |
desoxyribonucleïnezuur; materiaal waaruit chromosomen zijn opgebouwd en dat de genetische code bevat. |
| dominante follikel |
follikel die zich in die maand verder uitrijpt en van waaruit (bij de eisprong) een eitje vrijkomt. |
| dopamine |
weefsel hormoon, werkzaam in centraal zenuwstelsel. |
| draagmoeder |
vrouw die ervoor kiest om zwanger te worden en een kind te dragen voor een ander paar. Het zaad van de man en de eicel van de vrouw of van de draagmoeder worden gebruikt, maar soms ook donorsperma en donoreicellen van derden. |
| draagmoederschap |
hierbij voldraagt een vrouw een zwangerschap voor een ander persoon of voor andere paren, waarbij de zwangerschap door middel van IVF tot stand is gekomen. |
| dreigende miskraam |
bloedverlies bij een jonge zwangerschap. |
| ductus deferens |
kanaaltje dat de bijbal (epididymis,waar het zaad is opgeslagen) met de urinebuis verbindt. |
| dysmenorroe |
pijn tijdens de menstruatie. |
| dyspareunie |
pijn bij man of vrouw tijdens of direct na coïtus. |