| E2 |
afkorting voor het hormoon oestradiol. |
| Echo |
Oonderzoek met behulp van geluidsgolven dat een afbeelding geeft van de baarmoeder en eierstokken; dit onderzoek kan zowel via de buik (bij volle blaas) als via de vagina (bij lege blaas) worden uitgevoerd. |
| echografie |
het zichtbaar maken van inwendige organen met geluidsgolven |
| echoscopie |
indirecte bezichtiging op een scherm van de resultaten van echografisch onderzoek |
| eicel |
de vrouwelijke voortplantingscel, Ook wel ovum of oöcyt genoemd. |
| eiceldonatie |
donatie van een eicel aan een andere vrouw, waarbij deze eicel door middel van een IVF-methode wordt bevrucht en teruggeplaatst bij deze andere vrouw in de hoop dat ze zwanger wordt. |
| eicelpunctie |
het aanprikken en leegzuigen van het eiblaasje (follikel) waar de eicel inzit. |
| eierstok |
geslachtsklier die de vrouwelijke eicel en het vrouwelijk hormoon produceert, stok komt van het engelse woord stock, wat voorraad betekent. |
| eileiders (tubae) |
buisvormige structuren die aan twee zijden in de baarmoeder ontspringen en waarbij de trechtervormige uiteinden na de eisprong de eicel uit de eierstok opvangen en vervoeren, goed functionerende eileiders zijn noodzakelijk voor een natuurlijke bevruchting. |
| ejaculatie |
zaadlozing. |
| embryo |
ongeboren vrucht tot en met 85e dag na de bevruchting. |
| embryologie |
leer van de ontwikkeling van het ongeboren kind. |
| embryoloog |
specialist in de embryologie. |
| embryotransfer |
het tijdens een IVF procedure terugplaatsen van een embryo in de baarmoeder van een vrouw. |
| endogeen |
in de constitutie verankerd. |
| endometriose |
aanwezigheid van baarmoederslijm op een andere plaats dan de baarmoeder |
| endometritis |
ontsteking van het baarmoederslijm. |
| endometrium |
baarmoederslijmvlies. |
| endometriumbiopsie |
verwijdering van een stukje weefsel uit de binnenbekleding van de baarmoeder voor microscopisch onderzoek. |
| endoscoop |
instrument waarmee in hol orgaan gekeken kan worden. |
| endoscopie |
het bezichtigen van inwendig holle organen met een endoscoop. |
| epididymis |
bijbal. |
| epididymitis |
ontsteking van de epididymis (bijbal), veroorzaakt soms onvruchtbaarheid bij de man. |
| erectie |
stijf worden v.d. penis. |
| ET |
embryo transfer; het terugplaatsen van het embryo in de baarmoeder. |
| EUG |
extra-uteriene graviditeit; buitenbaarmoederlijke zwangerschap, meestal in de eileider |
| exacerbatie |
plotseling verergering van b.v. een ziekte. |
| exogeen |
van buiten afkomstig. |
| expectatief |
afwachtend. |
| extirpatie |
uitsnijding, totale verwijdering. |
| fertigram |
overzicht met alle facetten behorende bij vruchtbaarheid en kansschatting. |
| fertilisatie |
het vruchtbaarmaking, bevruchting. |
| fertiliteit, fertiel |
vruchtbaar. |
| fertility awareness |
vruchtbaarheids bewustzijn. |
| fimbria |
vingervormige uitsteeksels aan het uiteinde van de eileider, tegen de eierstok aan. De fimbria vangen de eicel na de ovulatie op en transporteren deze naar de baarmoeder. |
| fluor albus |
witte vloed. |
| fluxus |
te sterke bloeding bij een bevalling (> 1 liter). |
| foetus |
ontwikkelende vrucht vanaf de derde zwangerschapsmaand tot aan de geboorte. |
| folliculaire fase |
eerste helft van de cyclus, tussen menstruatie en eisprong, deze fase duurt normaal tussen 12 en 16 dagen. |
| follikel |
kleine met vocht gevulde holte in de eierstok waarin zich een eitje bevindt. |
| forceps |
verlostang. |
| forcipale extractie |
verlossing met de tang. |
| FSH |
follikelstimulerend hormoon; hypofysehormoon dat de follikelrijping bij de vrouwen en de zaadvorming bij mannen stimuleert. |
| fysiologie |
kennis van de normale levensverrichtingen van levende organismen en hun organen. |
| galactorrhoe |
melk- of zogvloed. |
| gameet |
voortplantingscel. (de zaadcel van de man of de eicel van de vrouw). |
| gemelli |
tweeling. |
| genen |
bouwstenen van de chromosomen binnen het DNA. |
| genetic counseling |
erfelijkheidsvoorlichting. |
| GIFT |
gamete intrafallopian transfer; samenbrengen van eicellen en zaadcellen buiten het lichaam (in vitro) voor bevruchting, waarna ze onmiddellijk in de eileiders worden teruggeplaatst in de hoop op bevruchting en zwangerschap. |
| glans penis |
eikel . |
| GnRH |
gonadotrofine geleasing hormoon - LHRH hormoon dat door de hypothalamus wordt geproduceerd en regulerend werkt op de aanmaak en afgifte van gonadotrofinen door de hypofyse. |
| gonaden |
organen die de geslachtscellen en -hormonen produceren, bij mannen zijn dat de zaadballen, bij vrouwen de eierstokken. |
| gonadotrofinen |
hormonen die de werkzaamheid van gonaden reguleren. |
| gonadotrofinen |
tot de gonadotrofinen behoren FSH (follikelstimulerend hormoon) en LH (luteïniserend hormoon), bij vrouwen stimuleren deze hormonen de eierstokken, bij mannen de zaadbalfunctie. |
| Graafse follikel |
blaasje in ovarium, waarin het eitje zich ontwikkelt. |
| graviditeit |
zwangerschap. |
| gynaecomastie |
al te grote borsten bij de man. |
| habituele abortus |
zich herhalende spontane abortus, meestal twee keer of vaker achtereen. |
| HCG |
humaan chorion gonadotrofine; zwangerschapshormoon dat in de zwangerschap wordt geproduceerd door de placenta, HCG kan ook als medicijn worden gebruikt om de eisprong op te wekken |
| hirsutisme |
overmatige haargroei. |
| histologie. |
weefselleer. |
| HIV |
humaan immunodeficiëntievirus; verwekker van AIDS. |
| HMG |
humaan menopauzaal gonadotrofine; zorgt voor eicel rijping, het luteïniserend hormoon (LH) en follikelstimulerend hormoon (FSH) uit de urine van postmenopauzale vrouwen, wordt gebruikt bij sommige vruchtbaarheidsbehandelingen. |
| hormoon |
door een klier geproduceerde stof die via de bloedbaan een specifiek doelorgaan bereikt en daar een stimulerend effect heeft. |
| HSG |
hystero salpingografie. |
| HSG |
hysterosalpingogram; röntgenfoto van de baarmoeder en eileiders met behulp van een contrastmiddel. |
| hydrokèle |
waterbreuk, ophoping van vocht in het omhulsel van de teelbal. |
| hydrosalpinx |
afgesloten eileider waarin zich vocht heeft opgehoopt. |
| hymen |
maagdenvlies. |
| hyperprolactineaemie |
verhoogd gehalte aan prolactine in bloed. |
| hyperstimulatie |
het door middel van medicijnen stimuleren van de eierstokken tot productie van meerdere eicellen. |
| hypofyse |
kliertje vlak onder de hersenen dat onder meer de functie van de geslachtsorganen regelt. |
| hypogonadotroop |
organische afwijkingen van hypothalamus of hypofyse . |
| hypothyreoidie |
onvoldoende werking schildklier. |
| hysteroscopie |
een onderzoek waarbij de gynaecoloog met een dun buisje - die via de vagina en het baarmoederhalskanaal wordt ingebracht - in de baarmoeder kan kijken. |
| ICSI |
intracytoplasmatische sperma-injectie; procedure waarbij één zaadcel in één eicel wordt ingebracht, onder de microscoop. |
| idiopathisch |
zonder aanwijsbare oorzaak. |
| IM |
intra musculair; in de spier. |
| impotentie |
onvermogen tot het krijgen van een erectie. |
| indicatie |
aanwijzing dat een bepaalde behandeling nodig is. |
| inductie |
gevolgtrekking. |
| infaust |
ongunstig, met weinig kans op genezing. |
| infertiliteit, infertiel |
onvruchtbaarheid. |
| innesteling |
van innesteling is sprake op het moment dat de bevruchte eicel zich hecht aan de baarmoederwand, wat in zwangerschap resulteert. Innesteling kan plaatsvinden tussen vijf en tien dagen na eisprong of terugplaatsing (IVF). |
| inseminatie |
het brengen van sperma in de schede. |
| intoxicaties |
vergiftiging. |
| IUD |
intra uterine device; spiraaltje. |
| IUI |
intra-uteriene inseminatie; kunstmatige inseminatie van zaadcellen in de baarmoederholte. |
| IV |
intra veneus; in de ader. |
| IVF |
in vitro-fertilisatie; bevruchting buiten de baarmoeder, letterlijk: in glas. |
| KI |
kunstmatige inseminatie; IUI, IVF en ICSI. |
| KID |
KI met donorzaad. |
| KIE |
KI met zaad van eigen partner. |
| klinefelter-syndroom |
erfelijke afwijking van de man die onder andere onvruchtbaarheid kan veroorzaken, kenmerkend voor dit syndroom zijn twee X-chromosomen (een teveel) en één Y-chromosoom. |
| klinische zwangerschap |
bewezen zwangerschap middels echografie. |