| labium majus |
grote schaamlip (mv. labia majora). |
| labium minus |
kleine schaamlip (mv. labia minora). |
| lactatie |
melkproductie, het zogen. |
| laparoscopie |
operatie via een kijkbuis, in de buikwand. |
| laparotomie |
operatie via een grotere snede in de buikwand . |
| late miskraam |
het verlies van een zwangerschap na de vierde maand maar voor de levensvatbare periode. |
| LH |
lutheïserend hormoom; hormoon dat vóór de ovulatie door de hypofyse wordt afgegeven, bevordert ovulatie en ontwikkeling gele lichaam. |
| LH-piek (“surge”) |
afgifte van het luteïniserend hormoon vlak voor de ovulatie, LH zorgt voor de laatste uitrijping waarbij de rijpe eicel los komt van de folliklewand. |
| LHRH |
luteiniserend hormoon releasing hormoon. |
| LHRH-pompje |
kleine hoeveelheid LHRH in de bloedbaan gebracht, hierdoor gaat de hypofyse weer FSH en LH afgeven. |
| libido |
seksueel verlangen. |
| LPD |
lutealefasedefect; de binnenbekleding van de baarmoeder ontwikkelt zich niet op de juiste manier en wordt daardoor ongeschikt voor innesteling. |
| luteale fase |
Tweede helft van de cyclus, tussen eisprong en menstruatie De luteale fase duurt normaal circa 10-16 dagen. Tijdens deze fase van de cyclus wordt progesteron afgegeven, wat noodzakelijk is voor een eventuele innesteling van de bevruchte eicel. |
| mannelijke subfertiliteit |
verminderde vruchtbaarheid bij de man. |
| mastitis |
borstontsteking. |
| menarche |
eerste menstruatie. |
| menopauze |
het stoppen van de menstruatie tijdens de overgangsjaren (climacterium). |
| menorragie |
overvloedig bloedverlies tijdens een regelmatige cyclus. |
| menstruatie |
maandelijkse bloeding uit de vagina (schede), maanstonde, maandstonde |
| metrorragie |
bloeding niet behorend tot een menstruatie en onregelmatig optredend. |
| MLP |
mid luteaal progesteron. |
| morfologie |
term die de vorm beschrijft. Een zaadcel met een slechte morfologie is misvormd en vaak niet tot bevruchting in staat. |
| motiliteit |
andere term voorde beweeglijkheid van de zaadcellen. |
| MRI |
afkorting van magnetische resonantie imaging, een onderzoek dat gebruik maakt van magnetische velden om een afbeelding te maken, bij een te hoge prolactine spiegel wordt soms een MRI scan van de hersenen verricht om een goedaardig gezwel van de hypofyse uit te sluiten. |
| mucus |
Slijm (van de baarmoederhals). |
| mutaties CFTR-gen |
waterhuishouding v.d. cel is verstoord en taaie slijmen ontstaan. |
| myomectomie |
operatieve procedure waarbij een vleesboom (myoom) verwijderd wordt. |
| myometrium |
laag glad spierweefsel in de uteruswand. |
| myoom |
vleesboom; een goedaardige spierknobbel die uitgaat van de wand van de baarmoeder. |
| nécrospermie |
geen beweeglijkheid van het sperma. |
| NFP |
natuurlijke family planning. |
| nidatie |
Innesteling van een bevrucht eitje. |
| normagonadotroop |
onvoldoende stijging FSH |
| normospermie |
goed sperma |
| NSAID |
non-steroidal anti-Inflammatory drugs; ontstekingsremmende pijnstillers . |
| objectief |
ook voor anderen waarneembaar. |
| occlusie |
verstopping of afsluiting. |
| oestradiol |
vrouwelijk hormoon die door de eierstok wordt geproduceerd. |
| oestrogeen |
vrouwelijk geslachtshormoon geproduceerd door het zich ontwikkelende eiblaasje in de periode voor de eisprong. |
| OFO |
oriënterend fertiliteits onderzoek. |
| OHSS |
ovarieel hyperstimulatiesyndroom; overstimulatie van de eierstokken. |
| oligomenorroe |
cyclus die langer dan zes weken duurt. |
| oligospermie |
weinig sperma. |
| oligozoöspermie |
het semen bevat slechts een geringe hoeveelheid zaadcellen. |
| oöcyt |
eicel. |
| orchitis |
ontsteking van de testis. |
| ostium uteri |
baarmoedermond. |
| ovarium |
eierstok. |
| overgang |
de periode rond de laatste menstruatie (gewoonlijk rond het 52e levensjaar). |
| overstimulatie |
complicatie van een behandeling met vruchtbaarheidsmedicijnen waarbij de eierstokken te heftig reageren en hierdoor onder andere te veel eicellen produceren en vergroot worden. |
| ovulatie |
eisprong |
| ovulatiebloeding |
tussenbloeding, tussen twee menstruaties in, rond de eisprong |
| ovulatie-inductie |
medische behandeling om door middel van medicijnen de eisprong op te wekken. |
| ovulatiepijn |
middenpijn; typische peritoneale (buikvlies) pijn bij vrouwen bij het openbarsten van de Graafse follikel, d.i. halverwege twee menstruaties in. |
| ovulatoir |
met eisprong. |
| ovum |
eicel. |
| paramedisch |
aan het medisch grenzend o.a. fysiotherapie, ergotherapie enz. |
| parametrium |
buitenbekleding van de baarmoeder. |
| partus |
bevalling. |
| partus immaturus |
vroeggeboorte na zwangerschapsduur van 16-28 weken. |
| partus praematurus |
vroeggeboorte na zwangerschapsduur van 28-37 weken. |
| pathologie |
ziekteleer. |
| pathologisch |
ziekelijk. |
| patiënt |
zieke die onder doktersbehandeling is. |
| PCO-syndroom |
polycysteusovariumsyndroom; ook wel aangeduid als ‘Stein-Leventhal-syndroom’; mogelijke oorzaak van verminderde vruchtbaarheid bij de vrouw waarbij een verstroorde hormonenbalans leidt tot specifieke kenmerken waaronder vaak het een ontbreken van ovulatie, het PCO-syndroom kan ook zonder uiterlijk zichtbare symptomen optreden. |
| PCT |
post coitum test; samenlevingstest, test die bij vruchtbaarheidsonderzoek kan worden gebruikt om na gemeenschap de interactie tussen zaadcellen en baarmoederhalsslijm te onderzoeken. |
| pessarium |
vrouwenring, soms gebruikt bij verzakkingen |
| PGD |
preïmplantatie genetische diagnostiek; onderzoek op erfelijke aandoeningen bij een embryo met vier of acht cellen voordat het embryo wordt teruggeplaatst in de baarmoeder. PGD is nuttig bij het opsporen van erfelijke afwijkingen en voor het overbrengen van een normaal embryo naar de baarmoeder. |
| phimosis |
vernauwing van de voorhuid. |
| placenta praevia |
vóórliggende moederkoek. |
| PMS |
premenstruele spanningen; spanningsverschijnselen voorafgaand aan de menstruatie. |
| poliep |
gezwelletje dat in de baarmoederholte groeit; bijna altijd is het goedaardig. |
| polymenorroe |
abnormaal frequente menstruatie (vaak in korte tijd). |
| polyspermie |
veel sperma. |
| portio |
deel van de baarmoederhals, dat uitsteekt in de vagina. |
| post coïtustest |
zie PCT. |
| postmenopauze |
periode van het climacterium dat na de menopauze valt (ongeveer 7-8 jaar) |
| praecox |
vroegtijdig, vroegrijp. |
| premenopauze |
deel van het climacterium dat vóór de menopauze valt (ongeveer 5-6 jaar) |
| premenstrual tension |
premenstruele pijn en spanningsverschijnselen. |
| preputium |
voorhuid. |
| preventie |
het voorkómen van ziekte. |
| progesteron |
hormoon dat na de eisprong tijdens de tweede helft (luteale fase) van de menstruatiecyclus wordt geproduceerd; bevordert de verdikking van de bekleding van de baarmoederwand als voorbereiding op de innesteling van een bevruchte eicel. |
| prognose |
vooruitzicht op het verloop van de ziekte |
| progressief |
toenemend, verergerend, zich uitbreidend |
| prolactine |
hormoon die het gele lichaam activeert, bevordert ontwikkeling borstklierweefsel en stimuleert melkproductie |
| prolaps |
verzakking. |
| proliferatiefase |
eerste fase van de cyclus van het endometrium. |
| prostaat |
voorstaandersklier. |
| prostatitis |
prostaatontsteking. |
| psychisch |
met betrekking tot de geest. |
| psychogeen |
met geestelijke oorzaak. |
| psychosomatisch |
betref de wisselwerking tussen geest en lichaam. |
| psychotherapie |
behandeling van geestelijke afwijkingen. |
| pulsatiel |
kloppend, pulserend. |
| punctie |
weefselextractie door wegzuigen, bij procedures als eicelpunctie tijdens een IVF-procedure of cystenpunctie uit een eierstok. |