| radiotherapie |
behandeling d.m.v. stralen. |
| rectokèle |
verzakking van de endeldarm in de achterwand van de vagina. |
| refertilisatie |
het ongedaan maken van een sterilisatie bij vrouw of man. |
| retractiel |
terugtrekbaar. |
| retrograde ejaculatie |
een orgasme dat wel subjectief ervaren wordt, maar zonder transport van sperma naar buiten; komt in de blaas terecht . |
| röntgenstralen |
elektromagnetische stralen met zeer kleine golflengte. |
| SA |
semen analyse. |
| salpingectomie |
operatieve verwijdering van de eileiders. |
| salpingitis |
ontsteking of infectie van één of beide eileiders. |
| salpingolyse |
operatieve verwijdering van verklevingen rond de eileiders. |
| salpingotomie |
operatieve insnijding in de eileiders, om een buitenbaarmoederlijke zwangerschap te verwijderen of een verstopte eileider weer te openen. |
| salpinx (mv. salpinges) |
eileider(s). |
| scanning |
scintigrafie; onderzoek d.m.v. radioactieve stoffen. |
| scrotum |
balzak;zak van huid en dun spierweefsel die de zaadballen omsluit. |
| sebum preputtii |
zie smegma |
| secretiefase |
tweede fase van de cyclus van het endometrium. |
| sectio caesarea |
keizersnede. |
| secundaire onvruchtbaarheid |
onvruchtbaarheid bij een man of vrouw die reeds een kind hebben. |
| semen (sperma, zaad) |
het vocht dat tijdens de ejaculatie door de zaadballen, zaadblaasjes en prostaat wordt afgegeven, gemaakt |
| septum |
tussenschot; het afwijkende weefsel dat de baarmoeder in tweeën deelt. |
| serotiniteit |
te lange zwangerschapsduur (meer dan 42 weken). |
| sertoli-cellen |
de cellen in de zaadbal die de productie van spermacellen bevorderen. |
| smear |
uitstrijkje; het in dunne laag uitsmeren van onderzoekmateriaal voor microscopisch onderzoek van de baarmoederhals |
| smegma |
smeer; epitheliaal afscheidingsproduct van de eikel en voorhuid van de penis en van de clitoris. |
| solutio placenta |
loslaten van de moederkoek. |
| somatisch |
lichamelijk. |
| SPA |
sperm penetration assay; methode waarbij menselijke zaadcellen bij eicellen van hamsters worden gebracht om de fertiliteit van het sperma te bepalen. |
| speculum |
eendebek; instrument om de schede en baarmoedermond te bekijken. |
| sperma (‘wassen’) |
techniek voor het scheiden van de zaadvloeistof en het sperma. |
| sperma-analyse |
kwaliteitsonderzoek van het sperma. |
| sperma-antistoffen |
chemische stoffen die een ‘vijandige’ omgeving in het baarmoederslijmvlies creëren. In deze omgeving kunnen de zaadcellen zich niet voortbewegen, zodat ze dus geen eicel kunnen bevruchten. |
| spermabank |
hier wordt sperma verzameld en ingevroren voor later gebruik door twee partners, of voor donatie bij ART’s. |
| spermacel |
mannelijke voortplantingscel of gameet. |
| spermacellevensvatbaarheid |
geeft aan of de zaadcel wel of niet leeft. |
| spermacelmorfologie |
vorm van de afzonderlijke zaadcel. |
| spermadichtheid |
aantal zaadcellen per milliliter of cc. Motiliteit (beweeglijkheid), morfologie, het aantal zaadcellen en de levensvatbaarheid kunnen worden bepaald. |
| spermamotiliteit |
percentage zaadcellen dat naar buiten zwemt. |
| spermatocyt |
nog onvolgroeide zaadcel. |
| spermatogenese |
productie van sperma binnen de tubuli seminiferi. |
| spermatozoön |
mannelijke voortplantingscel of gameet; kortweg ‘spermacel’ genoemd. |
| spinnbarkeit |
gebruikt bij postcoïtum onderzoek (PCT) om de rekbaarheid van het baarmoederslijmvlies te testen. |
| SPM test |
spermatozoa-penetratiemeter; laboratoriumonderzoek van zaad en baarmoederhalsslijm. |
| spontane Abortus |
miskraam. |
| stasis, stase |
stilstand, stuwing. |
| statisch |
in een blijvende toestand. |
| Stein-Leventhal syndroom |
oorzaak van onvruchtbaarheid als gevolg van een overschot aan androgenen, kleine cysten op de eierstokken en uitblijven van ovulatie; de symptomen zijn zwaarlijvigheid of gewichtstoename, acne, extreme haargroei en amenorroe; het Stein-Leventhal-syndroom kan ook zonder uiterlijk zichtbare symptomen optreden. |
| sterilisatie |
onvruchtbaar maken. |
| STM |
sympto-thermale methode. |
| subfertiliteit, subfertiel |
onvermogen van een man en vrouw om een zwangerschap bij de vrouw te bereiken, na één jaar gemeenschap zonder voorbehoedmiddel. |
| subject |
onderwerp. |
| subjectief |
persoonlijk. |
| symptothermaal |
combinatie van slijmwaarneming en themperatuurmethode |
| teratospermie |
zaadcellen met afwijkende vorm. |
| testikel, testis |
zaadbal. |
| testikelbiopsie |
operatieve verwijdering van zaadbalweefsel om te bepalen of de cellen normaal sperma kunnen produceren of om eventuele tumoren op te sporen. |
| testikeltorsie |
stoornis waarbij de zaadbal gedraaid raakt, zodat de bloedtoevoer plaatselijk wordt afgesneden. |
| testosteron |
mannelijk hormoon. |
| TET |
tubal embryo transfer; vorm van in-vitrofertilisatie (IVF) waarbij het embryo in de eileider wordt gebracht. |
| therapie |
geneeswijze, behandeling. |
| tomografie |
röntgenmethode, één vlak v.e. lichaamsdeel. |
| torsio |
draaiing (om as van testis). |
| toxicose |
zwangerschapsvergiftiging. |
| toxische stoffen |
giftige stoffen. |
| transvaginale punctie |
echogeleide techniek bij in-vitrofertilisatie (IVF) voor het oogsten of opzuigen van de eicellen. |
| trauma |
gweldadige inwerking, een verwonding (ook in psychische zin) tot gevolg hebbend, meervoud traumata; dikwijls wordt foutief) de verwonding zelf bedoeld. |
| traumatologie |
wetenschap betreffende de oorzaken, daignostiek, behandeling, prognose, revalidatie enz. van ongevalsletsel. |
| tuba (uterina) |
eileider; baarmoedertrompet, verbindingsbuis van buik- en baarmoederholte.B29 |
| tubaligatuur |
procedure voor het operatief afbinden of blokkeren van de eileiders bij sterilisatie van een vrouw. |
| tubaplastiek |
operatie voor het herstellen van een afwijking aan de eileiders welke onvruchtbaarheid veroorzaakt. |
| tubuli seminiferi |
kanaaltjes in de zaadballen die sperma produceren. |
| turner-syndroom |
erfelijke afwijking bij vrouwen waarbij de eierstokken niet functioneren doordat er een chromosoom ontbreekt. |
| ultrasonografie |
beeldvormend onderzoek voor het zichtbaar maken van inwendige organen door middel van het gebruik van hoogfrequente geluidsgolven; bij vruchtbaarheidsbehandelingen is echografie een hulpmiddel bij het controleren van de follikelrijping en het opsporen van afwijkingen zoals cysten; deze procedure wordt ook wel ‘echografie’ genoemd. |
| urethra |
urinebuis; plasbuis, deze voert de urine van de blaas af. |
| uterus |
baarmoeder; voortplantingsorgaan bij de vrouw dat de ongeboren vrucht beschermt en waarin deze tot aan de geboorte tot ontwikkeling komt en gevoed wordt. |
| uterus bicornis |
tweehoornige baarmoeder; medische aanduiding van een baarmoederafwijking waarbij de baarmoeder in twee helften is verdeeld. |
| uterus septus |
afwijking van de baarmoeder waarbij deze in twee helften is gedeeld door een tussenschot (septum). |
| uterus unicornis |
uterus bilocularis; afwijking waarbij slechts één helft van de baarmoeder zich ontwikkelt en de baarmoeder kleiner is dan normaal. |
| vacuümextractie |
verlossing met de zuignap. |
| vagina |
schede, tussen vulva en uterus. |
| varicokèle |
spataderkluwen in de balzak. |
| vasectomie |
operatie van de zaadleiders ter sterilisatie. |
| vasectomie |
operatieve sterilisatie van de man door afbinden of dichtbranden van de ductus deferens. |
| vasogram |
röntgenonderzoek van de ductus deferens. |
| verkleving |
littekenweefsel dat een verbinding vormt tussen organen in de buikholte. Verklevingen zijn abnormale verbindingen. Ze worden veroorzaakt door infecties, ontstekingen of eerdere operatieve ingrepen. |
| vesicula seminalis |
zaadblaasje. |
| vestibulum vaginae |
voorhof (van de schede); ruimte begrensd door de kleine schaamlippen. |
| vijandig slijm |
slijm in de baarmoederhals dat de natuurlijke beweging van zaadcellen via het baarmoederhalskanaal verhindert. |
| vleesboom |
myoom. |
| vulva |
uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen = venusheuvel, grote en kleine schaamlippen, clitoris, vestibulum vaginae. |
| zaadbal |
testikel; gonade van de man, die sperma en mannelijke geslachtshormonen produceert. |
| zaadblaasjes |
de twee kliertjes onder de blaas die de zaadvloeistof produceren. |
| zaadvloeistof |
ejaculaat;het vocht met de zaadcellen dat bij het orgasme wordt uitgestoten. |
| ziekte van Crohn |
ontstekingachtige aandoening van de dunne darm. |
| ZIFT |
zygote intrafallopian transfer; vorm van in-vitrofertilisatie (IVF) waarbij het bevruchte eitje in de eileider wordt gebracht. |
| zona pellucida |
eicelschil; beschermend omhulsel van de eicel. |
| zygoot, zygote |
versmellingsproces van twee gameten, waaruit het embryo groeit; de bevruchte eicel. |